Beeld-denken

Gepubliceerd op 3 januari 2022 om 16:16

Ik ben iemand met een rijke verbeelding, zodra je iets tegen mij zegt zie ik het meteen voor me. Als iemand tegen mij zegt: “je mag niet denken aan een roze olifantje met gele stipjes”, zie ik hem al door de lucht buitelen, vrolijk en dartel. Gelukkig hebben de meeste mensen deze verbeeldingskracht en kan dit ook meteen een pleidooi zijn om het woordje ‘niet’ niet meer te gebruiken, omdat het meestal een tegengesteld effect heeft. Het woordje ‘en’ is een veel beter woord, maar goed, dat pleidooi ga ik nu niet houden.

 

Beeld-denken dus. Mijn ziekte heeft ook een beeld en zie ik hem (bij mij is het echt een hem) duidelijk voor me. Een baasje is het, een charlatan, een dictator, een narcist, maar guitig en lief tegelijk. Hij heeft een dikke buik, want ook hij wordt dik van de medicatie én smult ook teveel van chocolade. Hij draagt een hoed en een stropdas, hij houdt van het ouderwetse galante. Hij neemt dan ook regelmatig zijn hoed voor mij af als ik weer eens langs kom lopen en boos op hem ben.

Regelmatig ben ik boos op hem. Niet dat het zin heeft, want weggaan doet hij echt niet. Luisteren zit namelijk niet in zijn competenties. Hij bepaalt alles en geeft mij nog weinig kans mezelf te zijn. Maar ik blijf er wel tegen vechten, want ‘ik ben geen ziekte, ik heb een ziekte’. Ik heb dat CIAPkereltje nu eenmaal bij me, maar dat wil niet zeggen dat ik hem alles laat bepalen.

En als dat kereltje mij weer eens waarschuwt van ‘ga nou niet zover lopen’ luister ik lekker niet naar hem. Zoek het maar uit, ik bepaal zelf hoever ik loop. Natuurlijk heeft hij achteraf helemaal gelijk en ben ik daarna kapot, maar dan trek ik een lange neus naar hem en zeg: “ik heb heerlijk genoten van het buiten zijn en van de prachtige wandeling”. En ik moet het hem nageven, dan wil hij best eens zijn hoed afzetten en een diepe buiging voor me maken, dan is hij trots op me dat ik weer heerlijk heb genoten. Hij stiekem ook wel, want hij heeft speciaal voor mij wandelschoenen aangeschaft. Kijk dat is dan toch best weer lief.

En als ik dan een lotgenoot spreek vraag ik me in mijn verbeelding meteen af hoe zijn poppetje eruit zou zien. Hebben alle CIAP-mensen ook een CIAP-kereltje? En zo ja, hoe ziet die er dan uit? En ze doen allemaal verschillende ziektedingen, dus ze hebben zeker niet dezelfde school gevolgd, dat moge duidelijk zijn. Nu ik daarover nadenk, waar worden al die kereltjes eigenlijk geboren? En waar zijn hun moeders? En waarom kiezen ze mij en mijn lotgenoten, wat hebben wij aan uitstraling dat ze juist ons lastig komen vallen en niet bijvoorbeeld de buurvrouw? Waarom ik, waarom jij? Waarom wij?

Maar dat denken heb ik allang afgeleerd van mijn CIAP-kereltje. “Het heeft geen enkele zin om zo te denken” zegt hij dan weer streng.  En daar moet ik hem dan maar weer gelijk in geven, diep zuchtend, dat wel.



Reactie plaatsen

Reacties

Hans Lentjes
3 jaar geleden

Wat een leuk verhaal en ook ik zeg dat tegen mezelf. Veel doen wat eigenlijk niet kan en mezelf voor de gek houden. Maar later kom dan dat kereltje om de hoek en zeg dan "zie je nou wel, ik had je gewaarschuwd" De rest van de dag uitgeblust op de bank, maar wel genoten.

Cis
2 jaar geleden

Je schrijven is als een duveltje uit het doosje. Realiseer me plots dat ik als doorgewinterde beeld-denker juist geen beeld heb bij 'miep' zoals ik mijn ziekte ben gaan noemen. 'Miep' heeft geen gezicht is ook geen hij of zij, hooguit een hét.
'Miep' is niet te vangen, onzichtbaar aanwezig dat deze zelfs m'n verbeelding te boven gaat. Dat zegt wat ...